Waren de Joden van Lehi's tijd werkelijk rechtvaardig?

 

    Jij bent als onze vader, die door de dwaze inbeeldingen van zijn hart is misleid. Jij hebt ons uit het land Jeruzalem geleid, en wij hebben al deze jaren in de wildernis rondgezworven; en onze vrouwen hebben gezwoegd tijdens hun zwangerschap; en zij hebben kinderen in de wildernis gebaard en alles doorstaan, behalve de dood; en het zou beter zijn geweest als zij waren gestorven alvorens Jeruzalem te verlaten, dan deze ellende te doorstaan terwijl wij in die tijd hadden kunnen genieten van onze bezittingen en van ons erfland waar wij gelukkig hadden kunnen zijn.

 

     Wij weten dat de mensen die zich in het land Jeruzalem bevonden een rechtvaardig volk waren; want zij hielden zich aan de inzettingen en gerichten des Heren en aan al zijn geboden naar de wet van Mozes en onze vader heeft hen veroordeeld en heeft ons weggeleid omdat wij bereid waren naar zijn woorden te luisteren; ja, en onze broeder is net als hij. En met dergelijke taal morden mijn broeders en maakten zij ons verwijten. (Zie 1 Nephi 17:20-22.)

 

     Er is een zekere ironie in Lamans en Lemuëls beschuldiging. "Jij bent als onze vader". Nephi leek inderdaad op zijn vader Lehi, die een man was die visioenen ontving en een groot geloof had. De verdere geschiedenis zal aantonen hoe kortzichtig Laman en Lemuël waren om te denken dat hun vrouwen beter af waren geweest als zij in Jeruzalem waren gebleven. Toen Jeruzalem door Nebukadnesser, na een belegering van twee en een half jaar, ingenomen werd, was de situatie zo verschrikkelijk dat de mensen zelfs aan kannibalisme hadden gedaan. (klaagliederen 1:1-10.)

 

     Het is wel interessant op te merken dat Laman en Lemuël van mening waren dat de Joden te Jeruzalem rechtvaardig waren 'want zij hielden zich, volgens hen, aan de inzettingen en gerichten des Heren en aan al zijn geboden naar de wet van Mozes' terwijl profeten, die onder het zelfde volk werkten, ontzet waren over hun grote goddeloosheid. Honderd jaar eerder hadden profeten zoals Hosea, Jesaja en Amos Israël bestraft en het opgeroepen zich te bekeren. Vooral Amos, omdat zij de wet des Heren verworpen en zijn inzettingen niet onderhouden hebben en wegens hun onzedelijkheid, afgodendienst en misbruik van de armen. (Zie Amos 2:4-8.)

 

     Juda was zo hard geworden dat heel veel Joden zich nog steeds niet wilde bekeren, zelfs na de grote ramp van Nebukadnessers overwinning en hun eigen verbanning. In plaats hun eigen zonden te betreuren, hoopten enkele overlevenden dat Baylon vernietigd zou worden en dat de kleine kinderen van hun vijand tegen de rotsen verpletterd zouden worden. (Zie Psalm 137, vooral vers 9, die na deze grote ramp geschreven schijnt te zijn.)

 

     Harry Thomas Frank schreef hierover: "Als reactie op de verbanning schijnt er geen schuldgevoel te zijn voor de zonden in Israël en Juda; geen besef van de boodschappen van goddelijk recht en oordeel die Amos, Hosea, Jesaja en Micha hadden gebracht. Die reactie was veroorzaakt door eigendunk; met bitterheid die veroorzaakt was door een vals gevoel van onschuld en hiermee negeerden de bannelingen de vraag: "Waarom deze verbanning?" Slechts enkelen hebben dat waarom zich afgevraagd. Worstelend met deze vraag, kwamen de profeten tot de conclusie dat de ballingschap een rechtvaardige straf was die Gods gerechtigheid had geëist. (Discovering the Biblical World, blz. 133.) En dit getuig ik in Jezus naam. Amen.