De vernietiging van de indianen

 

     En het geschiedde dat ik vele menigten van de andere volken in het land van belofte zag; en ik zag de verbolgenheid Gods, en dat die op het nageslacht van mijn broeders rustte; en zij werden voor de andere volken uit verstrooid en geslagen. (1 Nephi 13:14.)

 

     De indianen, zoals zij door Columbus werden beschreven, "waren zachtaardige wezens, gastvrij, nieuwsgierig en vrolijk, oprecht en trouw, zij wandelden in schoonheid en hadden een geestelijke godsdienst." (Aangehaald in John Collier, The Indians of Americas, blz. 97-98.) Zij waren niet voorbereid op de meedogenloze, roofzuchtige blanken die uit waren op goud en bekeerlingen. "Het was alsof een mysterieuze vreemdeling, die zich met liefdevolle woorden had aangekondigd, die in vreugde verwelkomt was als een gast, omhelsd werd als vriend, die uitgenodigd was om maar te doen alsof hij thuis was, die als lid van het gezin was opgenomen, zich plotseling openbaarde als een weerwolf in plaats van een mens." (Blz. 97.) De indianen werden direct geëxploiteerd als goedkope werkkrachten. Duizenden werden naar Europa verscheept en duizenden Europeanen kwamen naar Amerika "om een stuk land in ontvangst te nemen met de bijbehorende, onbetaalde, gedwongen, levenslange Indiaanse slaven." (Blz. 98.)

 

     "Maar in West Indië werden de indianen niet gedecimeerd. De volken die volgens Columbus zachtaardig en vrolijk waren, die in schoonheid wandelden, werden geheel uitgeroeid. Daar in het begin verondersteld werd dat de voorraad onbegrensd was, werden de Indiaanse slaven gedwongen te werken tot ze er dood bij neervielen. Hun leven was zo verschrikkelijk dat zij tot massazelfmoord gedreven wer-den, tot massakindermoord, tot massaonthouding van seksuele omgang om te voorkomen dat er onder die gruwelijke omstandigheden kinderen geboren zouden worden. Kwaadaardige epidemieën volgden op de wil om te sterven. De moorden en de mishandelingen overtroffen die van de meest onbarmhartige tirannen van vroegere tijden." (Blz. 98.)

 

    "Collier merkt op dat de Indiaanse bevolking van Haïti en Santo Domingo, die op twee - à driehonderdduizend werd geschat toen Columbus aankwam in 1492, was gedaald tot minder dan vijfhonderd inboorlingen in 1548, minder dan zesenvijftig jaar later." (Blz. 99.)

 

     Dit relaas werd vele malen herhaald door mannen als Cortez, Pizarro, en DeSoto, in Peru, Colombia, Mexico en de Verenigde Staten. De taferelen die Nephi zeshonderd jaar voor Christus zag vonden werkelijk in al hun verschrikkelijkheid plaats. Een schrijver drukte het eens zo uit: "Hier was een ras dat bezig was overstroomd te worden door een onweerstaanbare vloed mensen van een totaal andere beschaving. Verdreven uit hun gewone woonplaatsen, steeds verder en verder, door de blanken gezien als vijandige hindernissen op de vruchtbare grond, die opzij geveegd of vernietigd moesten worden, in de war gebracht door een economie waar zij niet op voorbereid waren, gedecimeerd door ziekten en verdorvenheden waartegen zij geen weerstand hadden opgebouwd, getergd doordat gesloten verbonden die door de Europeanen herhaaldelijk werden overtreden, onderworpen aan onevenwichtig beleid van de regering, uitgezogen door onbekwame en hebzuchtige ambtenaren en soms gedemoraliseerd door een overdreven, hoewel goed bedoelde, vaderlijke bezorgdheid, is het een wonder dat er nog indianen zijn die het overleefd hebben." (Kenneth Scott Latourette, A History of the Expansion of Christianity, The Great Century, deel 4, blz. 323.)