De vernietiging en verdrijving van het Indiaanse volk

 

    En het geschiedde dat ik vele menigten van de andere volken in het land van belofte zag; en ik zag de verbolgenheid Gods, en dat die op het nageslacht van mijn broeders rustte; en zij werden voor de andere volken uit verstrooid en geslagen. (1 Nephi 13:14.)

 

     De vervulling van Nephi's profetie over de verstrooiing van de nakomelingen van zijn broers is een zodanig uitgebreid onderwerp dat men er boeken vol over zou kunnen schrijven, maar het kan ook slechts in het kort in deze column behandeld worden. Het is een van de meest tragische gebeurtenissen in de geschiedenis van de mensheid en komt in vele opzichten overeen met de vervolging en het lijden van het Joodse volk door de eeuwen heen. (Zie 1 Nephi 19:13-15.)

 

     Al spoedig, nadat Columbus in West-Indië geland was begon de vernietiging en de verdrijving van het Indiaanse volk. De omvang van deze vernietiging is in 1973 bekend geworden. De bekende historicus, Wilbur R. Jacobs, verwerpt bijvoorbeeld de vroegere schattingen van Europese en Amerikaanse geleerden van de indiaanse bevolking ten tijde van de aankomst van Columbus in 1492. Die geleerden schatten de Indiaanse bevolking van Noord-Amerika op ongeveer een miljoen en in zowel Noord als Zuid Amerika op niet meer dan acht miljoen. Maar volgens Jacobs en zijn schattingen worden in brede kringen aangenomen, dat er op het westelijk halfrond in totaal negentig miljoen indianen geleefd hebben en bijna tien miljoen in Noord-Amerika alleen. (Zie Western Historical Quarterly van januari 1973, blz. 45.) Wanneer dit totaal van tien miljoen in Noord-Amerika vergeleken wordt met de geschatte 135.000 die er aan het begin van de twintigste eeuw leefden, begint men een idee te krijgen van de omvang van de ramp.

 

     Wat gebeurde er met al die indianen? Cook en Dobyns, die de verspreiding van epidemische ziekten onder indianen hebben onderzocht, voerden op overtuigende wijze aan dat miljoenen indianen gedood werden door noodlottige epidemieën van pokken, builenpest, tyfus, malaria, mazelen, gele koorts en andere ziekten. Behalve de virussen en bacteriën van de oude wereld, brachten de Europeanen ook onkruiden, planten, ratten, insecten, huisdieren, drank en een nieuwe technologie met zich mee, die het leven van de indianen en het ecologisch evenwicht zouden veranderen. De pokken, een ziekte die door een virus wordt veroorzaakt, die zich door de lucht verplaatst, was en is zo ongeveer de gevaarlijkste van alle besmettelijke ziekten. Kwaadaardige virussen, over gebracht door de lucht, op kleding, dekens, of zelfs het aanraken van een persoon die immuun is, maakte een eind aan hele stammen, of lieten slechts een handjevol overlevenden over.

 

     Hoewel sommige soorten besmettelijke ziekten, na er generaties lang aan blootgesteld te zijn geweest, ook onder de indianen, even als onder de Europeanen, minder kwaadaardig werden, bleef de pokken zonder twijfel het dodelijkst voor de Indianen, omdat het herhaaldelijk terugkeerde om de nog overlevende generaties indianen ook te doden. (Jacobs, Western Historical Quarterly, blz. 46.)

 

     Heden ten dage is de inenting de introductie van een stof aan het lichaam ter genezing of voorkoming van infectieziektes, waarbij gesproken wordt van passieve immunisatie. Meestal gebeurt dit via een injectie.