De Joden, de niet-Joden en de Bijbel

 

     "Maar zie, ten dage dat Ik ertoe overga een wonderbaar werk onder hen te verrichten om mijn verbonden, die Ik met de mensen heb gesloten, indachtig te zijn, om mijn hand voor de tweede maal uit te strekken om mijn volk, dat van het huis Israëls is, terug te winnen; en ook om de beloften indachtig te zijn en dat de woorden van uw nageslacht uit mijn mond tot uw nageslacht zullen voortgaan; en mijn woorden zullen voortsissen tot een standaard voor mijn volk, dat van het huis Israëls is.

 

     En velen van de andere volken zeggen: Wij hebben een Bijbel en er kan niet nog méér Bijbel zijn. O dwazen, zij zullen een Bijbel hebben; en deze zal voortkomen uit de Joden, mijn verbondsvolk vanouds. En hoe danken zij de Joden voor de Bijbel die zij van hen ontvangen? Ja, wat bedoelen de andere volken eigenlijk? Denken zij aan de moeiten en het gezwoeg en de inspanningen van de Joden,  hoe ijverig zij jegens Mij zijn geweest om de andere volken redding te brengen? O andere volken, bent u de Joden, mijn verbondsvolk vanouds, indachtig geweest? Neen; integendeel, gij hebt hen vervloekt en gehaat, en niet getracht hen terug te winnen. Maar zie, Ik zal al deze dingen op uw eigen hoofd doen wederkeren, want Ik ben mijn volk niet vergeten. O dwaas, die zegt: Een Bijbel, en wij hebben niet méér Bijbel nodig. Had u een Bijbel verkregen indien het niet door de Joden was geweest?" (Zie 2 Nephi 29:1-6.)

 

     Nephi's voorspellingen over de houding van de meeste mensen in de tijd, dat het Boek van Mormon te voorschijn zou komen, zijn een indrukwekkende aanklacht tegen de geestelijke toestand van het christendom ten tijde van de herstelling. In plaats van een blijde dankbaarheid bij de aankondiging van nieuwe schriftuur, in plaats van een groot verlangen om het woord van God te ontvangen, verwierpen zij aanvullende schriftuur. Zij deden dit met de vrome verklaring dat zij een Bijbel hadden en dat dat genoeg was. Maar er was geen echt begrip voor wat zij hadden noch dankbaarheid voor hen die het hun gebracht hadden. Zoals Nephi eerder profeteerde, (2 Nephi 28:20) hitste satan ze op tot toorn tegen het goede. Satan voerde een wanhopige strijd om te voorkomen dat het Boek van Mormon te voorschijn kwam. (Zie L&V10.) Toen hij daar niet in slaagde was zijn volgende tactiek de waarde ervan in de ogen van de mensen af te breken.

 

     "Hoe vreemd het 'de hedendaagse vijanden van de waarheid' ook moge voorkomen, hun weerstand tegen het ontvangen van meer van Gods woord door middel van het Boek van Mormon is een van de tekenen van de tijd. Hun tegenwerking, samengevat in de woorden: "Een Bijbel! Een Bijbel! Wij hebben een Bijbel en er kan geen andere Bijbel meer zijn," heeft deze strenge bestraffing van de Heer teweeg gebracht: "Gij dwaas, zie zult zeggen: Een Bijbel, wij hebben een Bijbel, en wij hebben er geen andere Bijbel bij nodig. Waarom mort gij? Omdat gij meer van mijn woord zult ontvangen?" (Vers 4.) (Bruce R. McConkie. Mormon doctrine, blz. 719.)

 

     Een van de droevigste aspecten van de afval van de christelijke kerken is de onverkwikkende geschiedenis van hun vervolging van de Joden. Letterlijk miljoenen Joden zijn door de hand van christenen ter dood gebracht, die veronderstelden dat zij daarmee de dood van Jezus wreekten. Dat de Heer deze vervolging veroordeeld is heel duidelijk. (Zie vers 5.) En dit getuig ik in Jezus naam. Amen.