De psalm van Nephi

 

     Het gedeelte van 1 Nephi 4:15-35, wordt dikwijls de psalm van Nephi genoemd. De psalmen van het oude Israël waren lofzangen. Zij werden al vroeg verzameld en in de geschiedenis van Israël gebruikt en sommige ervan werden heel dikwijls opgezegd. De Israëlieten kenden de meeste.

 

     Zij dienden om de religieuze gevoelens van het oude Israël bij diepte en hoogtepunten uit te drukken. Nephi was vertrouwd met deze dichttrant en met veel van de psalmen uit het Oude Testament. Het moet voor hem vanzelfsprekend zijn geweest om 'de belevenissen mijner ziel' (vers 15) de uitdrukking van zijn vreugde en zijn verdriet op deze prachtige, poëtische wijze te beschrijven.

 

     Sidney B. Sperry heeft eens opgemerkt: "Dit is een echte psalm, zowel in vorm als in gedachte. Het ritme kan vergeleken worden met de nobele cadans van Davids gedichten. God wordt er niet alleen in geprezen, maar de diepten van Nephi's ziel worden er voor ons in blootgelegd. Deze psalm openbaart hoe Nephi zich in de Schriften verheugde. Er blijkt duidelijk uit, welke invloed de boeken van Jesaja, Jeremia, de Klaagliederen en de psalmen op hem hebben gehad." (Our Book of Mormon, blz. 111.)

 

     Maar belangrijker dan de vorm is de inhoud. Evenals wij, voelde Nephi scherp zijn onvolmaaktheden en zwakheden aan. Zijn hart treurde dan ook om de zonden die hij zo gemakkelijk beging en hij riep uit: "Niettemin, ondanks de grote goedertierenheid des Heren, die mij immers zijn grote en wonderbare werken heeft getoond, roept mijn hart uit: O, ellendig mens die ik ben! Ja, mijn hart is bedroefd wegens mijn vlees; mijn ziel rouwt wegens mijn ongerechtigheden." (Vers 17.) Door dit hele gedeelte van het Boek van Mormon heen hebben wij herhaaldelijk gemerkt hoe rechtschapen, hoe getrouw tijdens beproevingen, hoe groot zijn toewijding aan God was en toch roept hij dit uit. Verviel hij dan werkelijk zo gemakkelijk in zonde? Het antwoord zou te vinden kunnen zijn in de verklaring van Joseph Smith:

 

     "Hoe dichter de mens de volmaaktheid benadert, des te helderder worden zijn inzichten en des te groter zijn vreugde, totdat hij al het kwaad in zijn leven heeft overwonnen en geen verlangens naar zonde meer heeft, ja, zoals de mensen in vroeger tijden, dat punt in zijn geloof heeft bereikt, waarin hij door de macht en heerlijkheid van zijn Maker wordt omgeven en wordt opgenomen om bij Hem te wonen." (Joseph Smith, leringen, blz. 42.)

 

     Het is heel normaal om onze onvolmaaktheden aan te voelen en wanhopig te worden als wij denken aan de moeilijke taak om volmaakt te worden. Maar let eens op wat Nephi doet. Midden in de zin, als hij klaagt over zijn zwakheden, vindt hij de sleutel die hem in staat zal stellen over zijn wanhoop te triomferen: "En wanneer ik ernaar verlang mij te verblijden, zucht mijn hart wegens mijn zonden; toch weet ik op wie ik heb vertrouwd." (Vers 19.)

 

     Dan haalt hij zelf bewijzen aan dat God met hem geweest is en nog steeds is. Met die positieve gedachte verandert zijn hele houding. Hij heeft toch zeker bewijzen dat God tevreden met hem is, en als dat zo is "waarom zou mijn hart dan wenen en mijn ziel in het dal der smarten talmen en mijn vlees verteren en mijn kracht verminderen wegens mijn ellende? (Vers 26.)

 

     Bestudeer dus de verzen 26 tot en met 35 aandachtig en u zult een sleutel vinden voor uw eigen gemoedsrust en geestelijke kracht. En dit getuig ik in Jezus naam. Amen.