Het Israël naar het bloed en naar het land

 

     Het Israël naar het bloed: De naam Israël werd voor het eerst gegeven aan de grote patriarch Jakob, de kleinzoon van Abraham. Hij kreeg die naam nadat hij met een boodschapper van God geworsteld had en door hem gezegend was. De boodschapper zei: "Uw naam zal niet meer Jakob luiden, maar Israël, want gij hebt gestreden met God en mensen, en gij hebt overmacht." (Genesis 32:28.) De naam zelf betekent "prins van God" of "iemand die met succes met God gestreden heeft."

 

     Van zijn vier vrouwen had Jakob, of Israël twaalf zonen. Deze groeide op en stichten hun eigen gezinnen en werden bekend als de twaalf stammen van Israël. Daar God het verbond gesloten had met Abraham en zijn nakomelingen, werden de Israëlieten bekend als het verbondsvolk. In deze betekenis behoren alle nakomelingen van de twaalf zonen van Jakob tot het Israël naar het bloed.

 

     In de vierduizend jaar die verstreken zijn sinds Jakob leefde, hebben er ontelbare huwelijken plaatsgevonden tussen afstammelingen van Israël en andere mensen. Hoewel wij daarom misschien denken dat de Joden of de Lamanieten de enige bekende overblijfselen van het oorspronkelijke Israël zijn, (als een apart en nog te identificerend ras) zijn er letterlijk miljoenen mensen die hun afstamming terug kunnen leiden tot een van de twaalf stammen; zij maken dus deel uit van het Israël naar het bloed.

 

     Het land Israël: de Heer beloofde Abraham en zijn nakomelingen het land Palestina en de omringende gebieden. (Zie Genesis 15:18.) Na de exodus uit Egypte en de omzwervingen in de woestijn, trokken de Israëlieten onder leiding van Jozua het beloofde land binnen en veroverden het op de Kanaänieten. Het land werd verdeeld onder de twaalf stammen en Kanaän werd bekend als het land Israël.

 

     Misschien moet nog opgemerkt worden dat de twaalf stammen die deelnamen aan de verdeling van het land niet precies overeen kwamen met de twaalf zonen van Jakob (Israël). De stam Levi, die het recht op het Aäronische priesterschap was gegeven, kreeg geen land als erfdeel toegewezen zodat de Levieten zich konden vermengen met de andere stammen en ze konden dienen en door het priesterschap tot zegen zijn.

 

     Jozef had een dubbele zegen ontvangen: zijn beide zonen Manasse en Efraïm werden door Israël aangenomen en als aparte stam erkend. (Zie Genesis 48:5-20; Jozua 14:4; 21:1-45.) Efraïm ontving het eerste geboorterecht in plaats van Ruben (1 Kronieken 5:1-2) omdat Ruben overspel pleegde met Bilha, een van Jakobs vrouwen. (Genesis 35:22.) De stam Ruben ontving wel een gedeelte van het land nadat de stammen Kanaän hadden veroverd. Bij de verdeling van het land kreeg Levi alleen steden en Efraïm en Manasse namen de plaats in van Jozef.

 

     Hoewel het land Israël en het Israël naar het bloed in eerste instantie een en hetzelfde volk was, werd het gebruik van het woord Israël voor het land en voor het volk wat erin woonde hoe langer hoe algemener. Om het nog ingewikkelder te maken werd het koninkrijk Israël na de dood van koning Salomo in tweeën gedeeld. Het noordelijke koninkrijk, bestaande uit tien stammen, behield de naam Israël, terwijl het zuidelijke koninkrijk, bestaande uit twee stammen, zichzelf Juda noemde, omdat de stam Juda voor de leiding zorgden en de meeste bewoners van Juda afstamden. En dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.