Rico's Kerstmis

 

     Het was kerstavond. Het was warm, zoals dat altijd het geval is in Brazilië in de maand december. In Rio de Janeiro valt Kerstmis midden in de zomer. Rico en zijn vader gingen naar beneden, naar de stad om werk te zoeken. Zij passeerden Rico's zusters die met vierkante blikken water balancerend op hun hoofd de heuvel opklommen. Het leek of ze zorgeloos liepen, maar de hele weg naar huis vermorsten ze geen druppel water.

 

     "Ik laat je niet graag alleen," had Rico's vader gezegd, "nu kleine Paquina ziek is. Maar als ik geen werk vind, hebben we niet veel voor kerstmis." Op de trottoirs verkochten oude vrouwen en kleine jongens koekjes en kleverig snoepgoed voor de kerstdag. Vrolijke versieringen of groene kransen hingen in vele ramen. In de etalage van een winkel stond een kerstboom. Zo'n boom groeide niet in Brazilië. Vanaf de uiteinden van de takken schenen lichtjes.  

 

     Het was donker toen ze de steile rotswand naar de Favela opklommen. Het flikkerende lichtje dat uit hun huis scheen leidde hen. Uit de andere huizen straalde ook licht, het vormden een oneven patroon tegen de rotswand. Mamma zat nog op bij de kleine Paquina. "De koorts is over," zei ze. "Daar ben ik blij om," zei Rico's vader.

 

      Toen glipte Rico weg, het donker in. Hij sprong heen en weer, maakte nichten en neven, buren en vrienden wakker. De mensen vroegen Rico wat het allemaal te betekenen had. Hij fluisterde het hun toe alsof het een geheim was. Spoedig wisten ze het allemaal. Spoedig zou iedereen in Rio de Janeiro het weten.

 

     Over de hele Favela begonnen de lichten te stralen. Rico holde van huis tot huis. Overal waar hij kwam klonk gelach en gloeiden de lichten. Stemmen klonken in het donker. "Zet je licht een beetje hoger," riep iemand. "Houd je fakkel in één lijn met mijn lantaarn," riep een ander. Oude Mamma Benedita was de laatste die ervan hoorde. Toen Rico haar verliet was ook zij bezig haar vuurtje aan te wakkeren. Beneden in de stad stroomden een grote menigte mensen na de avondmis de kerken uit. De mensen keken naar boven, naar de Favela. "Het is een kerstboom van lichtjes. Dat hebben de mensen op de rotswand gemaakt! "

 

     In de lucht hoog boven de stad gloeide de omtrek van een volmaakte, vrolijk verlichte kerstboom, die gemaakt was van de lamp van tante Piëta, de open haard van Mamma Benedita, en alle andere twinkelende lichtjes van de Favela. Rico en zijn buren hadden ze zo gerangschikt dat ze de omtrek van een kerstboom vormden. Halverwege stopten ze om te kijken naar de haven van Rio de Janeiro. In de verte zagen ze een andere groep lichtjes.

 

     "Het is een schip dat binnenkomt," fluisterde zijn vader. "Zelfs op kerstmorgen zullen ze mannen nodig hebben om het te lossen. Ik zal daar de eerste zijn." Hij gaf Rico een klopje op zijn schouder. "Ik zou niets van het schip geweten hebben als jouw kerstboom er niet geweest was," lachte hij. Toen rende hij naar de dokken. Rico bereikte zijn huis, het was donker en stil en iedereen sliep nu. Rico rolde zich op in de hoek, op de slaapmat die van hem was. Kerstmis zou een blijde dag voor allen worden, maar niets zou blijder kunnen zijn dan deze kerstavond. Voor hij in slaap viel dacht hij aan de gloeiende kerstboom hoog in de lucht. "Ik ben heel rijk," dacht hij. "Niet iedereen kan een kerstcadeau geven aan een hele stad."

 

(Barbara en William Neelands, Ster december 1972, blz. C40-43/S181-182.)