Zonder zelfs één schrammetje

 

     Het leek erop dat de jonge soldaat in opleiding geen kerstverlof zou krijgen, en dat soldaat Benjamin Clark zijn kerstfeest ver van zijn vrienden en geliefden zou moeten vieren. Toen kwam op het laatste moment de welkome verlofpas, met onmiddellijke ingang, zeven dagen geldig.

 

     Het was te laat voor een plaats in het vliegtuig, of om nog een bus te pakken, of om nog met andere kerkleden uit de kazerne mee te rijden. Het enige wat erop zat, was de snelweg op te lopen en te proberen een lift te krijgen.

 

     Een vrachtwagenchauffeur die 'Bed' heette nam hem mee in oostelijke richting, om hem in Nevada af te zetten. Ben voegde zijn bariton bij de Ierse tenor van Red en samen zongen ze alle kerstliedjes die ze kenden. Eenmaal in Nevada stond hij lang in de kou te wachten op een lift naar het noorden, naar huis. Er was nooit veel verkeer in die richting en zeker niet laat op kerstavond, hoewel. . . Eindelijk ver scheen er een auto, minderde vaart en stopte. Gelukkig gingen ze in zijn richting en zeiden dat ze hem dicht bij zijn woonplaats konden afzetten.

 

     Pas toen hij met zijn plunjezak op de achterbank zat en de wagen wegreed, besefte de jonge soldaat dat de drie jongemannen voorin dronken waren - en steeds meer dronken werden. Ze boden hem drank aan uit hun fles en reageerden beledigd toen hij weigerde. De jonge soldaat op de achterbank werd bang. De chauffeur was veel te dronken. De auto reed veel te snel. De radio stond veel te hard. Toen hij over de situatie nadacht, werd hij overmand door een duister voorgevoel. Eindelijk had hij het gezegd: "Stop alsjeblieft! Ik wil eruit!" Hij had luid gelach ten antwoord gekregen. "Hou je vast, soldaatje, want we stoppen voor niets!"

 

     Met elke afgelegde kilometer ging hij meer voor zijn leven vrezen. In zijn angst wendde hij zich tot zijn Vader in de hemel: 'Hemelse Vader, ik ben in grote moeilijkheden, en ik zie geen uitweg. Help me alstublieft. Bescherm me alstublieft en spaar mijn leven.' Toen kreeg hij een rustig, vredig gevoel, het gevoel dat hij op de vloer moest gaan liggen met zijn plunjezak op hem. Dat deed hij meteen.

 

     Enkele minuten later leek het wel het einde van de wereld. Hij hoorde de banden gillen, voelde de wagen slingeren, volkomen stuurloos, en daarna kwam de grote schok, de klap toen twee voertuigen elkaar met hoge snelheid raakten. Veel later kwam de jonge HLD-soldaat bij kennis. Hij bevond zich in een donkere wereld waar hij zijn armen, benen en hoofd niet kon bewegen. Hij kon zich niet oriënteren - er leek geen boven of onder, links of rechts te zijn. Niets bewoog in de dodenwagen. Hij rook alleen benzine, whiskybraaksel en de dood - die plotseling had toegeslagen op wat eens de voorbank was geweest.

 

     Er ging misschien een uur voorbij. Toen stopte er een grote vrachtwagen. De twee vrachtrijders riepen met hun 27MC-radio de politie te hulp. Ze gingen ervan uit dat niemand in de twee auto's een dergelijke complete vernietiging had kunnen overleven. Maar de politie ontdekte dat dat niet zo was. Buiten het dode echtpaar in de ene auto en de drie dode tieners in de andere, ontdekten en redden ze soldaat Benjamin Clark. "Jongeman," zei een politieman, "je mag dan niet zo goed zijn in het kiezen van een lift, maar het lijkt erop dat er iemand over je waakt en je beschermt. Ik hoop dat je iets goeds met je leven doet, want je bent Hem iets schuldig. Alleen God kon je dit vannacht zonder zelfs één schrammetje laten doorstaan."

 

(Terry J. Moyer, Ster december 1990, blz. C99-103/KS26-28.)