Want er is bij Hem voor elke daad een tijd en een plaats

 

     Ik heb in het verleden al heel wat dieren verzorgd, zoals konijnen, honden, katten en paarden. Het vertrouwen winnen ging over het algemeen in een soort van universeel beginsel die voor alle dieren vrijwel het zelfde zijn. Het contact hing af in hoeverre ik met het dier kon communiceren, want dat was de basis voor het leidinggeven, grenzen stellen, samenwerken en nog veel meer. Zonder contact was het onmogelijk om te communiceren, om goed leiding te geven, om duidelijk mijn grenzen aan te kunnen geven en om met resultaat samen te werken.

 

     Dit lag in mijn relatie met het dier meer voor de hand tussen honden en paarden, want het contact moest van twee kanten komen. Pas als ik voelde dat ik contact met het paard had kon ik er iets mee bereiken. Bij écht contact draaide het dier zijn lichaam of hoofd naar mij toe, zodat één van zijn ogen naar mij gericht was, spitste het zijn oren naar mij toe, liep naar mij toe, stak zijn neus mijn richting uit, snuffelde aan mijn kleding en reageerde nauwelijks op invloeden van buitenaf. Soms had het paard jeuk aan zijn voorhoofd waardoor hij met zijn hoofd met kracht langs mijn kleding streek. Ik vond dat altijd heel erg leuk.

 

     Salomo zegt dat de rechtvaardige het leven van zijn beest kent, Spreuken 12:10. Nu vraag ik mij af hoe God, als rechtvaardige Schepper tegenover Zijn dieren staat, die in laboratoria zo misbruikt worden, dat er zo geknoeid wordt met embryo's, dat dieren gepijnigd en misvormd worden, zogenaamd voor wetenschappelijk onderzoek, en buiten proporties opgefokt worden? De Heer spaarde Ninevé o.a. ook omdat er veel dieren waren. (Zie Jona 4:11.)   

 

     Andersom zien we een overdreven zorg voor dieren. Dieren worden beschermd en er wordt veel zorg aan natuurbehoud besteed en er zijn mensen die vinden dat in diverse opzichten een mensenleven niet meer mee telt, want bij velen leeft de sfeer dat een beest overlijdt, maar een mens dood gaat, wat een bizarre ontwikkeling is.

 

     De grote Schepper van wilde en tamme dieren zal eens  Zijn oude belofte onder ons en in Zijn kerk willen vervullen, die geschreven is in Jesaja 11:6-9. "Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam, een panter vlijt zich bij een bokje neer; kalf en leeuw zullen samen weiden en een kleine jongen zal ze hoeden. Een koe en een beer grazen samen, hun jongen liggen bijeen; een leeuw en een rund eten beide stro. Bij het hol van een adder speelt een zuigeling, een ​kind​ graait met zijn hand naar het nest van een slang. Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil op heel mijn ​heilige​ berg. Want kennis van de Heer vervult de aarde, zoals het water de bodem van de zee bedekt."

 

     God heeft de mensen bevoorrecht: ze beseffen dat ze als de dieren zijn. Niet meer dan de dieren zijn ze, want de mensen en de dieren treft hetzelfde lot. Zoals een dier sterft, zo sterft ook een mens; ze delen in dezelfde adem. Dat is hun beider lot. Een mens is niet beter af dan een dier, want alles is eender en gaat naar dezelfde plaats, want alles is uit stof ontstaan en alles keert terug tot stof. Wie zal ooit weten of de adem van een mens naar boven opstijgt en die van een dier afdaalt naar de aarde? (1)

 

    God zal zowel de rechtvaardigen als de goddelozen aan zijn oordeel onderwerpen, want er is bij Hem voor alles wat gebeurt en voor elke daad een tijd en een plaats. (2) Ik vertrouw er helemaal op dat Hij ook naar mij volledig rechtvaardig is. En dit getuig ik in Jezus Christus naam. Amen.

 

(1. Zie Prediker 3:18-21.)

 

(2. Zie Prediker 3:17.)