Is de gedachte aan een eeuwig leven beangstigend?

 

    Verantwoordelijkheid nemen voor onze eigen daden, dat is volgens Søren Kierkegaard de belangrijkste taak die wij als mensen hebben. Daarbij kunnen we niet terugvallen op vaststaande regels die ons voorschrijven hoe we ons leven moeten leiden. Als we iets simpelweg doen omdat het van ons verwacht wordt of omdat het lekker makkelijk is, dan nemen we niet zelf de verantwoordelijkheid.

 

     Aan die verantwoordelijkheid is dus ook vrijheid verbonden, want wie niet kan terugvallen op iets anders, is op zichzelf aangewezen. Niet voor niets wordt deze Deense denker gezien als een van de eerste vertegenwoordigers van de filosofische stroming die bij uitstek de menselijke vrijheid centraal stelt. Zelf verantwoordelijkheid nemen voor je daden werpt de vraag op wie je dan bent.

 

    Volgens Kierkegaard is iemand die verantwoordelijk is, standvastig door de tijd heen. Stel je voor dat je besluit duurzamer te leven en alleen nog maar biologisch fruit gaat eten. Als je op het station bent en trek hebt in een appel, maar er is geen duurzame variant beschikbaar, wat doe je dan? Handel je dan vanuit je principe van duurzaamheid of laat je dat in deze situatie even los?  

 

     In het licht van deze verantwoordelijkheid is het een interessant gedachte om je voor te stellen wat het betekent om onsterfelijk te zijn. Is dat iets wat je wilt? Kierkegaard heeft niet zoveel op met argumenten voor of tegen de onsterfelijkheid die losstaan van ons concrete bestaan. Hij wil de subjectieve kant van onsterfelijkheid onderzoeken: wat betekent onsterfelijkheid voor mij?

 

     Dat zou betekenen dat veranderingen in onze idealen en doelen alleen nog maar vaker kunnen voorkomen. Als ik voor eeuwig leven kies, wordt het dus des te moeilijker om consequent te blijven. De gedachte aan een eeuwig leven moet volgens Kierkegaard daarom beangstigend zijn.

 

     Ik denk dat het best wel leuk is om nu in onszelf onze eeuwigheid te overdenken, maar ik denk ook dat we nu, in onze huidige levensfase, ver vóór onze beurt praten. Pas wanneer wij weer terugkeren in onze eeuwigheid kan dit onderwerp weer op de agenda komen.

 

     Wij zijn namelijk al eeuwig maar zijn nu eventjes in de sterfelijkheid om te leren, wat wij zonder lichaam niet kunnen leren. Pas na onze opstanding, wanneer onze geest met ons eeuwige lichaam wordt verenigd, zal duidelijk worden voor welke vorm van eeuwigheid wij geschikt zijn.

 

     Die eeuwigheid zal dan niet alleen aan onze aardse vaardigheden worden getoetst, maar ook aan het geloof wat wij op aarde hebben kunnen/willen ontwikkelen. God is niet alleen onze Regeerder en Schepper; Hij is ook de Vader van onze geest. Dat betekent dat alle mensen letterlijk zoons en dochters van God zijn. 'De mens was, voordat hij met een stoffelijk lichaam op aarde kwam, als geest uit hemelse Ouders gewonnen en geboren, en in de eeuwige woningen van de Vader grootgebracht.' (1)

 

     Ieder mens die ooit geleefd heeft, is naar geest onze broeder of zuster. Daar wij naar geest de kinderen van God zijn, hebben wij zijn goddelijke eigenschappen geërfd, die wij in onszelf tot ontplooiing kunnen brengen. Door middel van de verzoening van Jezus Christus kunnen wij aan onze hemelse Vader gelijk worden en volle vreugde ontvangen.

 

     Omdat ik volledig mijn hemelde Vader heb aangenomen, kan mijn gedachten aan een eeuwig leven niet beangstigend zijn. (2) En dit getuig ik in Jezus Christus naam. Amen.


(1. Zie Leringen van kerkpresidenten: Joseph F. Smith [1998], blz. 335.)

 

(2. Laat u voorlichten door de priesterschapsdragers van 'De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen', in de volksmond ook wel de Mormonen genoemd.)