Vóór mijn redding leefde ik in een staat van duisternis

 

    Er is iemand geweest, die denkt dat hij verlicht werd toen hij negen jaar onafgebroken naar een muur had gestaard, maar beveelt iedereen 'de levenshouding van het niet zoeken' aan, want wat je actief zoekt, zul je niet vinden en dat geldt zeer zeker voor de staat van verlichting.

 

    Een ander heeft zijn arm afgehakt om zijn onverzettelijke streven naar verlichting te demonstreren en vindt dat hij toen verlicht werd. De stakker had gewoon niet door dat hij door ernstig bloedverlies licht in zijn hoofd werd.

 

    Weer een ander houdt zich bezig met 'niet denken', omdat hij dat een taoïstisch beïnvloed begrip vindt. Het denken letterlijk stopzetten vindt hij natuurlijk onmogelijk. Wel denkt hij dat een mens - niet alleen in zit-meditatie, maar ook in het dagelijks leven - kan denken zonder zich aan zijn gedachten te hechten. Hij laat zijn gedachten 'als wolken' voorbijtrekken, of als voorbijgangers langs zijn raam, zonder er zelf door te worden meegesleept.

 

    Weer een ander steekt elke nacht zijn arm of been buiten zijn klamboe, opdat de insecten geen honger zullen lijden. Van het insectengif wordt hij licht in zijn hoofd.  Verlicht worden is dus alleen maar jezelf geestelijk of lichamelijk kapot maken.  

 

    Toch zijn er wel mensen die werkelijk echt verlicht zijn geworden. Ikzelf ben daar één van. Ik ben namelijk verlicht geworden omdat ik het gevoel heb gekregen dat ik gered ben. Ik heb oprecht belijd, ofwel verklaart, dat ik Jezus Christus aanvaard als mijn persoonlijke Heer en Verlosser. Hiermee toon ik iedereen mijn geloof, zoals de apostel Paulus dat onder woorden heeft gebracht: "Want als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is, en uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u gered worden. Het geloof van uw hart brengt de gerechtigheid, en de belijdenis van uw mond brengt de redding." (1) 

 

    In Romeinen 10:9-10 wijzen de woorden gered en redding op een verbondrelatie met Jezus Christus. Dankzij die verbondrelatie heb ik de zekerheid dat ik gered ben van de eeuwige gevolgen van mijn zonden, die in het wereldse leven onvermijdelijk zijn. Ik heb de wereld volledig losgelaten en ben gehoorzaam aan eeuwige beginselen. Iedere 'heilige der laatste dagen' is volgens deze betekenis gered en verlicht. Ik heb mij omgekeerd naar het herstelde evangelie. Met de verordening van de doop ben ik een verbondrelatie met de Heiland aangegaan door zijn naam op mij te nemen. Ik hernieuw dat door elke zondag van het avondmaal te nemen.

 

    Vóór mijn redding leefde ik in een staat van duisternis, omdat ik het licht van het herstelde evangelie niet kon. Ik werd 'alleen verre van de waarheid gehouden, omdat ik niet wist, waar ik deze kon vinden.' (2) Ik ben, als lid van de kerk van de Heer, uit deze staat gered. Ik heb nu kennis van God de Vader, Jezus Christus, het doel van het leven, het heilsplan, en mijn eeuwig potentieel. Ik kan nu een discipel van de Heiland zijn, die heeft verklaard: "Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben." (3)

 

    Ik heb mijn gedachten dus niet 'als wolken' voorbij laten trekken, of als voorbijgangers langs mijn raam, maar heb er goed over nagedacht mijn redding compleet te laten zijn om een eeuwige verlichting te mogen bezitten. Dat heeft van mij een intens gelukkig mens gemaakt. En dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen. 

 

(1. Romeinen 10:9-10, Willibrordvertaling.)

 

(2. Zie L&V 123:12.)

 

(3. Zie Johannes 8:12.)