Onsterfelijkheid berooft ons van onze eigenheid?

 

     De eindigheid van ons bestaan speelt een grote rol in het denken van Martin Heidegger, zoals de titel van zijn bekendste werk, 'Zijn en Tijd' (1927), al doet vermoeden. De Duitse filosoof bekritiseert de neiging van de filosofische traditie om aandacht te besteden aan de dingen die bestaan, maar niet aan wat het betekent om te bestaan. Het zijn is volgens hem niet iets dat is: geen ding waar je omheen kunt lopen, maar de manier waarop alle dingen gebeuren.

 

     Anderen vinden dat behoorlijk abstract klinken, maar het wordt begrijpelijker als we het toepassen op ons eigen bestaan. Als wij doen alsof ons leven eeuwig duurt, dan doen we alsof ons eigen bestaan een ding is dat er altijd is, in plaats van een gebeurtenis door de tijd heen. Dit is volgens hen niet het geval, omdat we eens dood zullen gaan.

 

     Het verlangen om eeuwig te leven is dan volgens hen eigenlijk een vlucht voor het feit dat ons leven juist gekenmerkt wordt door het einde dat eraan vastkleeft. Alleen als we de dood onder ogen zien, kunnen we een authentiek bestaan leiden, een leven waarin we echt onszelf zijn.

 

     Dit authentieke bestaan hangt volgens hen samen met de dood, omdat het de dood is die ons leven individueel maakt. We kunnen vaak achter de menigte aan lopen, maar we moeten altijd onze eigen dood onder ogen zien. Het feit dat elk leven een eigen afbakening heeft, maakt ons tot individuen en geeft ons de mogelijkheid om een authentiek bestaan te leiden, ja, een leven dat echt het onze is en waarin ons doen en laten niet bepaald wordt door anderen. Onsterfelijkheid zou ons dus beroven van onze eigenheid.

 

     Ik vind het interessant om over mijn onsterfelijkheid hardop na te denken, maar ik besef tevens dat ik dan vér voor mijn beurt praat. Uit de Schrift leer ik dat de profeten in de hemel op hun leidersrol op aarde zijn voorbereid. (1)  Ook ik blijk vóór mijn geboorte door God geordend  te zijn tot mijn roeping hier op aarde.

 

     Dat was duidelijk het geval voor leiders zoals Jezus, Adam en Abraham. (2) Joseph Smith zei: "Eenieder die geroepen is om het evangelie aan de inwoners der wereld te verkondigen, was tot dat doel voorgeordend." (3) Het staat iedereen vrij om een roeping te accepteren of niet.

 

     Wij verschilden van elkaar in de hemel. We hadden verschillende talenten en capaciteiten, en we werden voor verschillende taken op aarde geroepen. Toen ik mijn patriarchale zegen ontving, kwam ik meer te weten over mijn 'eeuwige mogelijkheden'. (4)

 

     Onze herinneringen aan het voorsterfelijk bestaan zijn versluierd, maar onze Vader in de hemel weet wie we waren en wat we deden voordat we naar de aarde gingen. Hij heeft de tijd en plek van onze geboorte gekozen, zodat we de noodzakelijke vorming krijgen en onze persoonlijkheid en talenten het beste tot hun recht kunnen komen.

 

     Onze hemelse Vader wist dat we in het voorsterfelijk bestaan op een moment ons niet verder konden ontplooien, tenzij we Hem een tijdje verlieten. Hij wilde dat wij de goddelijke eigenschappen die Hij bezit, ontwikkelden. Dat kon alleen als we werden getoetst en ervaring opdeden, en daarvoor moesten wij ons voorsterfelijk thuis verlaten.

 

     We zitten dus in een eeuwige cyclus waarvan nog niet vaststaat naar welke kant wij ons ontwikkelen en dat onze 'eigenheid' nog bepaald moet worden. Omdat ik deze leer heb aangenomen heb ik een toekomstperspectief gekregen die zijn weerga niet kent (5) in Jezus Christus naam. Amen.

   

 

(1. Zie Alma 13:1-3.)

 

(2. Zie Abraham 3:22-23.) 

 

(3. Leringen van kerkpresidenten: Joseph Smith [2007], blz. 547.)

 

(4. Zie Thomas S. Monson, De Ster, januari 1987, blz. 82.)

 

(5. Laat u voorlichten door de priesterschapsdragers van 'De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen', in de volksmond ook wel de Mormonen genoemd.)