Ook een rijke mag het koninkrijk van God binnengaan

 

    Er gaan geluiden op die vinden dat ijdelheid het juiste midden is tussen 'een obsessie met het eigen uiterlijk', egoïsme, dominantie, ambitie en gebrek aan inlevingsvermogen tussen met jezelf bezig zijn en met de ander, ja, het juiste midden tussen je afsluiten en je openstellen. Ze vinden dat wij mensen ons leven moeten vormgeven, zonder te weten wat er gaat gebeuren, zonder de consequenties van onze keuzes te kunnen overzien.

 

    Je zou denken dat we daarom voor zoveel mogelijk veiligheid zouden kiezen, dus alleen het noodzakelijke doen: voor je eigen hachje zorgen. Dat velen van ons meer doen dan dat, blijkt volgens hen 'door onze ijdelheid' te komen, dat die ons in actie laat komen, ons ertoe aanzet anderen te helpen, kleding te ontwerpen die onze verschijning veraangenaamt, goocheltrucjes uit te halen om de suggestie van magie te wekken, verhalen te vertellen die het leven betoveren, grote gebouwen te bouwen die de wereld indrukwekkender doen voorkomen, kunstwerken te scheppen die ons leven glans geven. Merken op te zetten die op een verantwoorde manier producten vervaardigen, uitvindingen te doen die levens redden, en mee te doen aan televisietalentenjachten waar miljoenen mensen van genieten. Ze willen hiermee dat we dus erkennen dat we ijdele wezens zijn en de ijdele prestaties van anderen leren waarderen in plaats van ze belachelijk te maken.

 

    Nou, ik ben de laatste die dergelijke prestaties belachelijk maakt maar dat een dergelijke ijdelheid wel leidt naar 'veel geld zien te vergaren', dat lijkt mij duidelijk. In christelijke kerken heeft nooit een lofzang op de rijkdom geklonken. De boeken uit het Nieuwe Testament die het verhaal van Jezus vertellen, spreken een andere taal. Rijken kunnen moeilijk deel gaan uitmaken van het koninkrijk van God, staat er in het evangelie van Lukas. Is dat de enige boodschap die de kerk aan rijken te melden heeft, dat ze hun geld moeten weggeven?

 

    God is geen aannemer des persoons want de rijke mag evengoed de hemel binnen gaan als de arme, maar dan wel indien hij zijn hart en zijn liefde aan de wet van God en het beginsel der waarheid wil onderwerpen en op het bereiken van Gods doeleinden. Daarin ligt de moeilijkheid en dát was ook de moeilijkheid bij de jongeling. (Matteüs 19:16-22.) Hij bezat veel en hij vertrouwde liever op zijn rijkdommen dan alles te verlaten en Christus te volgen. Indien hij innerlijk de geest van waarheid had gehad, dat hij de wil van God kende en indien hij de Heer met geheel zijn hart had liefgehad en zijn naaste als zichzelf, dan zou hij tot de Heer hebben gezegd: "Ja, Heer ik zal doen wat gij verlangt, ik zal alles verkopen wat ik heb en het aan de armen geven" en dat zou misschien al voldoende zijn geweest, want de Heer zou waarschijnlijk niet op de uitvoering daarvan hebben gestaan, want ongetwijfeld vond de Heer het niet noodzakelijk dat hij al zijn bezit zou weggeven om volmaakt te worden, want dat zou in zekere mate blijk hebben gegeven van een gemis aan een vooruitziende blik.

 

     Maar indien dit alles nodig was geweest om hem op de proef te stellen, om te zien of hij de Heer liefhad met geheel zijn hart, ziel en verstand en zijn naaste als zichzelf en bereid was geweest om het te doen, indien hij dát was geweest zou hij in niets tekort zijn geschoten en zou hij de grootste gave van God de gave van het eeuwige leven hebben ontvangen (1) En dit getuig ik in Jezus naam. Amen.

 

(1. Joseph F. Smith, Evangelieleer, blz. 257-258.)