Wij moeten zijn zoals onze hemelse Vader is

 

     Ik geloof dat een romantische liefde biologisch te verklaren valt, wat helaas het laatste is wat we willen horen. De bioloog doet niets af aan het romantische ideaal, maar wijst simpelweg op een andere oorsprong. Het is altijd zo geweest dat we dachten dat verliefdheid iets onstoffelijks was, waardoor velen nog steeds proberen, lichamelijke verklaring ervoor te ontkennen. Volgens mij wordt verliefdheid door onze hormonen in gang gezet, waar het gevaar achter schuil gaat, dat, nadat de hormonen weer tot rust zijn gekomen - jezelf kan gaan afvragen: "Waar ben ik nu in hemelsnaam in terecht gekomen?" 

 

    Ik denk ook dat die hormonenhuishouding in het lichaam, die emoties teweegbrengen,  bij iedereen verschillend verloopt. De een heeft een zeer actief hormonenstelsel, waardoor de persoon steeds weer verliefd kan worden, wat overspel schering en inslag kan maken, terwijl een ander nooit enige affectie heeft naar de ander omdat die nou eenmaal een actiefloos hormonenstelsel in zijn lichaam heeft, waardoor hij misschien wel altijd vrijgezel blijft. En zo is ieder mens geboren met zijn eigen moeilijkheidsgraad.

 

     Ik denk ook dat de dichter William Wordsworth (1770), ondanks dat hij veel werd uitgelachen en voor gek werd  verklaard, het bij het rechte eind had als hij schreef over een liefde die hij in zijn bloed of hart voelde. Hij begreep dat gevoelens en het lichaam met elkaar verbonden waren.  

 

     Het zou raar zijn om wel te willen weten hoe een hart werkt, maar niet hoe het brein werkt of met het lichaam samenwerkt. Misschien kan deze nieuwe invalshoek ons helpen om neurologische ziektes, zoals Alzheimer of depressies te genezen. Als we een beter begrip van het bewustzijn zouden hebben, dan zou dat kunnen helpen te begrijpen hoe we als mens tot compassie en medeleven met anderen in staat zijn. En hoe dat weer een uitwerking heeft op onze samenleving.

 

      Wat niet biologisch verklaarbaar is, is naastenliefde. Jezus heeft ons veel leringen in de vorm van verhalen of gelijkenissen gegeven. Uit de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan leren we dat we hulp moeten geven aan minderbedeelden, of zij onze vrienden zijn of niet. (1)

 

     In deze gelijkenis spreekt Jezus over een man die naar een andere stad reisde. Onderweg werd hij belaagd door rovers. Zij beroofden hem van zijn kleding en geld, en sloegen hem halfdood. Er kwam een priester langs die niets voor hem deed. Vervolgens kwam er een tempeldienaar langs die snel doorliep. Toen kwam er een Samaritaan, veracht door de Joden, voorbij. Toen hij de man zag liggen voelde hij mededogen. Deze barmhartige Samaritaan knielde bij hem, verzorgde zijn wonden en nam hem op zijn ezel mee naar een herberg. Hij betaalde de herbergier om voor de man te zorgen tot hij hersteld was.

 

     Jezus leerde ons dat we eten aan de hongerige moeten geven, onderdak aan de dakloze en kleding aan de armen. Wanneer wij de zieken en gevangenen bezoeken, is het alsof wij dat in zijn plaats doen. Hij belooft ons dat wij zijn koninkrijk zullen beërven door dat te doen. (2)

 

     We moeten niet zelf uitmaken of iemand wel of geen hulp verdient. (3) Als we in de behoeften van ons gezin hebben voorzien, moeten we daarna iedereen helpen die hulpbehoevend is. Zo zullen wij als onze Vader in de hemel zijn, die het laat regenen op zowel rechtvaardigen als onrechtvaardigen. (4) En dit getuig ik in Jezus naam. Amen.

 

(1. Zie Lucas 10:30-37; zie ook James E. Talmage, Jezus de Christus, 3de druk [1973], blz. 317-319).

 

(2. Zie Matteüs 25:34-46.)

 

(3. Zie Mosiah 4:16-24.)

 

(4. zie Matteüs 5:44-45.)