Hoor Israël, de Here is onze God; de Here is één

 

     Luister, Israël, de Heer is onze God. De Heer is Eén. Houd van Hem met je hele hart, je hele ziel en alles wat je hebt.  Bewaar in je hart wat ik jullie vandaag leer. Leer het aan je kinderen. Praat er met hen over als je thuis bent, als je onderweg bent, als je opstaat en als je naar bed gaat. Bind het als een teken om je pols en als een herinnering om je voorhoofd. Schrijf het op de deurposten van jullie huizen en op de poorten van jullie steden. (1)

 

     De Heer is de enige God, Hij is onveranderlijk en innerlijk onverdeeld, er is niemand als Hij. "Als jullie kinderen later aan jullie vragen: 'Wat zijn dat voor wetten en leefregels die onze Heer God aan jullie heeft gegeven?' dan moeten jullie antwoorden: 'We waren slaven van de farao in Egypte. Maar de Heer heeft ons daar op een machtige manier bevrijd. Hij heeft ons grote wonderen laten zien: rampen die Egypte, de farao en zijn hele familie vernietigden. Maar ons heeft Hij van daar meegenomen.

 

     Hij heeft ons naar het land gebracht dat Hij aan onze voorvaders Abraham, Izaäk en Jakob had beloofd. En Hij heeft dat land aan ons gegeven. De Heer beval ons om ons aan al deze wetten en leefregels te houden. We moeten diep ontzag voor Hem hebben. Dan zal het voor altijd goed met ons gaan. En Hij zal ervoor zorgen dat we in leven blijven, zoals we vandaag ook in leven zijn. Als we ons heel precies aan al die wetten houden, leven we zoals Hij het wil. Dan zullen we dicht bij onze Heer en God zijn. Dat heeft Hij ons beloofd." (2)

 

     Met vers 4 begint wat onder de Joden bekend staat als de shema (het Hebreeuwse woord dat "hoor" betekent.) De shema is wat ik het Joodse denken als de meest verheven bevestiging van Gods eenheid wordt beschouwd en wordt dikwijls "de aanvaarding van het juk van het koninkrijk der hemelen" genoemd. Die gehele shema die bestaat uit Deuteronomium 6:4-9; 11:13-21 en Numeri 15:37-41 (in die volgorde) wordt tweemaal daags opgezegd door alle vrome Joden als een avond en ochtendgebed.

 

     De Joden namen het gebod letterlijk en schreven bepaalde gedeelten uit de Schiften, waaronder Deuteronomium 6:4-9, op kleine stukjes perkament, vouwden deze op en deden ze in kleine lederen doosjes van ongeveer 4cm in het vierkant. Deze doosjes werden dan op het voorhoofd of op de linker bovenarm gebonden, waarmee dan als het ware werd gezegd, dat de drager de wet met zijn hoofd en zijn hart zou vervullen. Later beschouwden sommige afvallige Israëlieten deze gebedsriemen als amuletten om de boze geesten af te weren. Daarom noemde de Grieken ze phylacteria, wat bescherming betekent.

 

     De mezuza (Hebreeuws voor deurpost) leek in zoverre op de tefilim dat hij ook een stuk perkament was met een gedeelte uit de Schriften erop, dat dan in een kleine ronde koker gedaan werd. De Mezuza werd aan de deurpost bevestigd en het werd de gewoonte van de Joden om de mezuza aan te raken of te kussen iedere keer als zij het huis verlieten of binnengingen.

 

     De symbolische woorden van het gebod leren een prachtige les. De deurpost is het symbool van de portalen waar de mens doorheen gaat om zijn medemensen te ontmoeten. Als men op het punt staat om het huis te verlaten of weer naar huis terug te keren, moet men bewust het verlangen hebben om Gods wil te doen. (3) En dit is mijn getuigenis in de heilige naam van Jezus Christus. Amen.  

 

(1. Zie Oude Testament, Deuteronomium 6:4-9.)

 

(2. Zie Oude Testament, Deuteronomium 6:20-25.) 

 

(3. Laat u - NU HET NOG KAN - voorlichten door de priesterschapsdragers van 'De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen', in de volksmond ook wel laatdunkend de Mormonen genoemd.)