De psalmist is dikwijls de verontwaardigde aanklager

 

      Toen Israël uit Egypte vertrok, uit dat land met een andere taal, koos God de stam van Juda uit: in het gebied van Juda wilde Hij wonen. Israël werd zijn koninkrijk. De Rode Zee zag het en vluchtte. Ook de Jordaan ging aan de kant. De bergen sprongen op, de heuvels huppelden als lammetjes. Heuvels, waarom huppelden jullie als lammetjes? Beef, aarde, voor de Heer. Beef voor de God van Jakob. Hij veranderde de rots in een rivier, de steen in een waterbron. (1)

 

     De psalmist schetst een gebeurtenis die zo indruk wekkend is geweest dat zelfs de natuur ervan in de war raakte. Onbeweeglijke bergen sprongen op van verbijstering. De zee die altijd naar de kust stroomt, vluchtte een andere kant op. Wat kan dit geweest zijn?

 

     Het was het ingrijpen van God voor zijn volk toen Hij de Israëlieten bevrijdde uit Egypte en naar hun land bracht. De macht waarmee Hij dit ten uitvoer bracht, was zo overweldigend dat de natuur zich eraan onderwierp: De Zee uit vers 3 en 5 is de Rode Zee, waarvan het water terugweek zodat de Israëlieten erdoorheen konden trekken. (2) de bergen staan voor de Sinaï, die schudde en beefde toen God verscheen. (3) De wonderen die God destijds deed, tonen zijn grootheid en liefde voor zijn volk.

 

     Toen de Israëlieten in hun eigen land gingen wonen, werd dat hun 'heiligdom': niet zomaar een land maar een koninkrijk van priesters, (4) waar de inwoners van God dienen. Een plek waar God aanwezig is, en te midden van zijn volk woont. (5)

 

     Christenen die de Psalmen lezen zullen het zeker moeilijk hebben met twee aspecten daarvan. Het ene is de zelf rechtvaardiging van de psalmisten. Het andere is hun neiging om met de verschrikkelijkste wraaknemingen te dreigen. Wij kunnen deze voor ons stotende gedeelten niet zomaar terzijde schuiven. Zij zijn een deel van Gods woord, evengoed als die gedeelten waar niemand een vraag achter stelt.

 

     Noch kunnen wij de psalmisten verontschuldigen door te zeggen dat zij de leringen van Christus niet hadden. Want zij hadden weldegelijk de wet. Zij wisten evengoed als wij dat geen mens volmaakt is volgens Gods normen; en hun was geleerd anderen lief te hebben, (6) zelfs hun vijanden. (7) De wet verbood vergelding niet, maar stelde er wel grenzen aan (een oog voor een oog en ook niet meer).

 

     Zelfrechtvaardiging. De psalmist maakt aanspraak op vergelijkende en niet op absolute gerechtigheid. Dat wil zeggen, in vergelijking met andere mensen, niet gemeten naar Gods standaarden. Een goed man kan zondigen en toch een goed mens zijn. Er is heel veel verschil tussen hen die ernaar streven het goede te doen en hen die moedwillig de wetten van God en de maatschappij negeren. David in het bijzonder, was zich bewust van zijn tekortkomingen tegenover God. (8) In de psalmen treft men naast zelf rechtvaardiging een diep berouw aan.

 

     De psalmist is dikwijls de verontwaardigde aanklager die zijn zaak aan God de Rechter voorleest. En hoezeer wij de eigengerechtigde toon ook afkeuren, van dit standpunt uit gezien is hij ongetwijfeld in zijn recht. Door de nadruk te leggen op Gods liefde zijn wij heden ten dage geneigd om te sentimenteel te worden over het echte kwade. Maar de psalmisten kenden God als iemand wiens ogen te rein zijn om het kwade te aanschouwen, iemand die het kwade niet kan goedkeuren. (9) En dit getuig ik in Jezus naam. Amen. 

 

(1. Zie Oude Testament, Psalmen 114.)  

 

(2. Zie Oude Testament, Exodus 14:21.)

 

(3. Zie Oude testament, Exodus 19:18.)

 

(4. Zie Oude Testament, Exodus 19:6.) 

 

(5. Zie Oude Testament, Leviticus 26:11-12.)

 

(6. Zie Oude Testament, Leviticus 19:17-18.)

 

(7. Zie Oude Testament, Exodus 23:4-5.)

 

(8. Zie Oude Testament, Psalm 51 en 19:12-13.)

 

(9. Laat u - NU HET NOG KAN - voorlichten door de priesterschapsdragers van 'De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen', in de volksmond ook wel laatdunkend de Mormonen genoemd.)