Waar vreugde zal heersen en eeuwige blijdschap

 

     "Ontwaak! Bekleedt u met sterkte, u arm des Heren! Zijt Gij het niet die Rahab hebt neergehouwen en de draak verwond? Die de zee heeft drooggelegd, de wateren van het grote diep; die de diepten der zee heeft gemaakt tot een weg, een doortocht voor de vrijgekochten? Daarom zullen de verlosten des Heren wederkeren en met gejubel tot Zion komen; en eeuwige vreugde en heiligheid zullen op hun hoofd wezen; en zij zullen blijdschap en vreugde verwerven; kommer en gezucht zullen wegvluchten.

 

     Ja, Ik ben het die u troost. Zie, wie bent u dat u bevreesd bent voor een mens, die zal sterven, en voor een mensenkind, dat als gras zal verdorren? Vergeet de Heer, uw Maker, die de hemelen uitspande en de aarde grondvestte; dat u bestendig, de hele dag, verschrikt bent vanwege de grimmigheid van de verdrukker, alsof hij klaarstond om te verderven?

 

     De gekluisterde balling haast zich, opdat hij losgelaten worde, hij niet sterft in de kuil, noch zijn brood ontbreekt. Maar Ik ben de Heer, uw God, wiens golven bruisten; Heer der heerscharen is mijn naam. Ik heb mijn woorden in uw mond gelegd en met de schaduw van Mijn hand heb Ik u bedekt, opdat Ik de hemelen moge uitspannen en de aarde grondvesten en tot Zion zeggen: Zie, u bent mijn volk.

 

     Ontwaak, sta op, o Jeruzalem, u die uit de hand des Heren de beker zijner grimmigheid, de droesem van de beker des bevens tot op de bodem hebt leeggedronken, van al de zonen die zij heeft gebaard, was er niemand die haar geleidde; en van al de zonen die zij heeft grootgebracht, was er niemand die haar bij de hand greep. (Zie 2 Nephi 8:9-18.)

 

     De verzen 9-11 lijken een pleidooi te zijn van het volk van God tot de Heer dat Hij "als vanouds" zou waken (vers 9) om tussenbeide te komen zoals Hij gedaan heeft met het oude Rahab (Egypte) en de draak (de duivel). Hij was het die de wateren van de Rode Zee scheidde en een weg baande voor de kinderen Israëls om naar de overkant te gaan (zie vers 10). Op de zelfde manier zal Hij in de laatste dagen zijn kinderen vergaderen van de gehele aarde waarheen zij verstrooid zijn en zal ze naar Zion brengen waar vreugde zal heersen en eeuwige blijdschap.

 

     De oproep (vers 12-16) is op de Heer te vertrouwen in plaats van op de mensen. De Heer is onze schepper, een wezen met grote macht. Waarom zouden wij de mensen vrezen? (Zie vers 12-13.) De gevangen bannelingen van Israël zullen door Gods macht bevrijdt worden, want het is waarlijk Gods volk en Hij heeft het met de schaduw zijner hand bedekt. (Zie vers 16 en ook 14-15.)

 

     Na de kruisiging van Jezus joegen de Romeinen de Joden uit Jeruzalem en verstrooiden ze door het hele Roomse Rijk. Bijna tweeduizend jaar lang was Jeruzalem niet onder de politieke controle van Joden geweest. Het heeft in feite de bittere beker van Gods grimmigheid tot op de bodem leeggedronken. Geen van zijn zonen heeft het al die jaren als profeet geleid. Nu is de tijd voor Jeruzalem inmiddels aangebroken, die de oude Joodse natie vertegenwoordigt, om te ontwaken en weer op te staan en tot zijn God terug te keren, de Heilige Israëls. (Vers 17-18.)

 

     Zegeningen die leden van het huis Israëls ten deel vallen als zij zich 'vergaderen' zijn: dat de gekluisterde balling losgelaten wordt, hij niet sterft in de kuil, noch zijn brood ontbreekt. (1) En dit getuig ik in Jezus Christus naam. Amen.

 

(1. Laat u voorlichten door de priesterschapsdragers van 'De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen', in de volksmond ook wel de Mormonen genoemd.)